Het op 19 oktober 2017 verschenen artikel More than 75 percent decline over 27 years in total flying insect biomass in protected areas bevestigt wat al langer bekend is, namelijk dat er overal minder insecten zijn. Dit wijdverspreid als ‘nieuws’ gepresenteerde gegeven heeft de voorpagina’s van diverse kranten gehaald. Daarmee is het in de eerste plaats een sterk staaltje van marketing van een onderzoeksinstelling. Over de oorzaak – nog veel belangrijker - wordt men uit dit artikel echter in geen enkel opzicht wijzer.

Pikant

Allereerst moet vastgesteld worden dat dit geen wetenschap is, maar gewoon onderzoek. De onderzoekshypothese ontbreekt namelijk. De publicatie is verschenen in het het blad Plos one, waarbij de indruk gewekt wordt dat dit peer reviewed is. Plos online is geen gewoon wetenschappelijk tijdschrift, maar een online medium waar men betaalt voor het publiceren (meestal in de orde van € 2.000 – 3.000). Dit blad heeft geen redactie zoals andere toonaangevende wetenschappelijke tijdschriften. Als auteur(s) mag men zelf de personen aandragen, die de peer review doen. Bij Plos one zijn anderhalve man en een paardekop werkzaam, voornamelijk om het online publicatieproces te organiseren.

Gegevens verzamelen

Eerst even een korte uitleg wat men bij het bovengenoemde onderzoek heeft gedaan. Men heeft gegevens verzameld en daarmee vervolgens allerlei submodellen gemaakt en deze samen vervolgens tot een totaalmodel omgevormd. Het zijn dus modellenbouwers. Modellen bouwen is een veel gebruikte methode in het ecologisch onderzoek, het is een manier om de enorme brei aan gegevens wat te ordenen en een hulpmiddel om een beeld van de werkelijkheid te construeren. Maar men moet natuurlijk oppassen dat deze modellen voor de werkelijkheid worden aangezien, want daardoor is er het risico dat volstrekt verkeerde konklusies worden getrokken. In feite is de enige konklusie die uit het artikel mag worden getrokken dat er veel minder insecten zijn. De rest is interpretatie, vooral steunend op wiskundige en statistische bewerkingen.

Statistische bewerkingen

Door de steun van de modellen op ver van de tastbare waarneembare realiteit liggende statistische bewerkingen is moeilijk te volgen op basis waarvan men precies landschap en klimaatverandering als oorzaken voor de achteruitgang verwerpt. Als de konklusie juist is dat landschap (planten, bloemen en dergelijke) geen bepalende factor is, dan betekent dit dat het zaaien van bloemetjes en andere aanplantingen volledig zinloos is, ook voor bijen. In mijn artikel Waarom de bijen de bloemen niet bezoeken heb ik al uitgelegd waarom bijen vaak niet op goede drachtplanten vliegen. Als de konklusie juist is dat klimaatverandering geen bepalende factor is, dan betekent dit dat opwarming van de planeet geen rol speelt. Inderdaad, de achteruitgang in aantallen insecten wordt overal ter wereld gerapporteerd, onder diverse klimaten, zowel in warme gebieden als in de gematigde zones. Of er ook sprake is van bepaalde insecten die nog wel aanwezig zijn en dat er aldus van een verschuiving van de soorten insecten sprake is, is niet onderzocht en dus ook niet gerapporteerd.

Factoren uitgesloten

Uit de verzamelde gegevens kunnen alleen bepaalde factoren uitgesloten worden. Men vermoedt dat er sprake is van een alom aanwezige milieufactor. Een dergelijk vermoeden werd in 2012 ook al geuit door prof. Eric Mussen van UC Davis. De auteurs stellen in de laatste zin van het artikel dat er een urgente noodzaak is om uit te zoeken wat de oorzaak van de achteruitgang in het aantal insecten is, hoe wijdverbreid dit verschijnsel is en wat dit verder voor het ecologisch systeem betekent.

Citaat: There is an urgent need to uncover the causes of this decline, its geographical extent, and to understand the ramifications of the decline for ecosystems and ecosystem services.

De antwoorden zijn echter niet zo moeilijk te geven. Zelf heb ik de oorzaak van deze achteruitgang al sinds 2013 op mijn homepage staan. Wat er gebeurt is namelijk het volgende. Met de neerslag komen allerlei voedingstoffen op de bloemen en planten terecht. Daardoor gaan er allerlei andere micro-organismen op die bloemen en planten groeien. Daardoor herkennen de insecten de planten niet meer en krijgen ze niet de juiste voedingsstoffen binnen om goed te kunnen leven. Men moet natuurlijk wel weten dat zeer veel insecten van micro-organismen leven, en dat die ook bepalend zijn voor de voortplanting.

Wat er niet in staat

Bij het lezen van zo’n publicatie moet men natuurlijk ook zien wat er niet in staat. In deze studie naar de achteruitgang van de hoeveelheid insecten is men bijvoorbeeld ‘vergeten’ de depositie (= neerslag van stoffen uit de lucht) expliciet als parameter mee te nemen. Echter, deze staat impliciet onder ‘precipitatie’, en daarvoor werd een negatieve correlatie met de hoeveelheid insecten gevonden.

Bezwaren

Een bezwaar van dit soort onderzoek is dat er geen experiment wordt uitgevoerd. Ik denk ook niet dat men bereid is om de noodzakelijke experimenten uit te voeren. Daaruit zou namelijk kunnen blijken dat ik gelijk heb. En dat is iets wat men vooral in Wageningen met volstrekt criminele methoden probeert te voorkomen. Dan kan men namelijk een heleboel theoriën terzijde schuiven en een hoop ‘onderzoek’ opdoeken.

Statistische analyse is onvoldoende

Als men factoren noemt, die invloed hebben op de aantallen insecten of juist geen invloed hebben, dan is een statistische analyse volstrekt onvoldoende. Men zou op minst moeten vermelden hoe de afname van de aantallen insecten dan in zijn werk gaat, c.q. hoe deze invloeden tot stand komen. Dat alles ontbreekt, en daarom munt het hele verhaal uit in vaagheden. Daarmee is dit onderzoek vergelijkbaar met een heleboel ander onderzoek, dat meestal meer vragen oproept dan het beantwoordt. Op deze manier wordt een één groot rookgordijn opgetrokken. Dat is ook hier weer aanleiding om 'nog meer onderzoek te doen' en subsidies te vergaren.

Mijn verklaring

Op mijn homepage geef ik als verklaring voor de problemen in de bijensector het neerkomen van stoffen uit de lucht. Het gaat hier enerzijds om nitraten en anderzijds om metalen die aanwezig zijn in fijnstof. Men moet zich voorstellen dat er in de lucht allerlei deeltjes voorkomen, die als gevolg van absorptie van nitraten bevatten. Deze zijn samen met diverse metalen een uitstekende voedingsstof voor bacteriën en andere micro-organismen. Als gevolg van diverse omzettingen zijn deze deeltje alkalisch, in een dergelijk milieu groeien bacteriën nog beter dan in een zuur milieu. Deze deeltje komen zowel in natte toestand (regen, mist) als in droge toestand op alles neer. Wanneer deze deeltjes met de micro-organismen op bloemen en planten neerkomen, dan dragen zij bij tot de vorming van een biofilm. Daarmee veranderen de voor bijen waarneembare kleurpatronen en kunnen de bijen de bloemen niet meer herkennen. Bovendien worden als gevolg van omzettingen op het bloemoppervlak bepaalde kleur- en geurstoffen geoxideerd. Daardoor wordt de kleurherkenning nog minder en worden de geurstoffen omgezet en eveneens niet meer waargenomen door de insecten. Men moet hiervoor weten dat het bloembezoek door bijen op grotere afstand bepaald wordt door kleurherkening en op korte afstand door geurherkenning. Er vindt door de depositie dus op twee manieren een verandering op de bloemen plaats die een grote invloed heeft op de foeragering van de bijen. Ditzelfde zou kunnen gelden voor andere insecten.

Oxidatie

Oxidatie in een overal veel voorkomend proces, waarbij stoffen in andere vormen worden omgezet, c.q. waarbij zuurstof aan deze stoffen wordt gebonden. Sommige oxidatieprocessen verlopen snel en gemakkelijk, voor de moeilijker verlopende processen in een katalysator nodig, vaak is dit een metaal. Door oxidatie veranderen de eigenschappen van die stoffen, bijvoorbeeld de kleur en de geur.

Maatregelen

Naar aanleiding van de publicatie wordt van diverse kanten opgeroepen tot ‘maatregelen’. Die zullen er niet komen, zolang van niets wetende 'ecologen' in ambtelijk-bureaucratische entiteiten, in ambtelijke werkgroepen en adviesraden en andere nauw aan de overheid gebonden organisaties blijven bepalen wat wel en wat niet goed is voor de natuur.