Volgens een recent verschenen artikel https://www.nature.com/articles/s41598-018-27164-z komen er in bijen veel meer typen virussen voor dan eerder werd gedacht. De teller voor dat aantal was in de loop van de afgelopen 20 jaar opgelopen tot circa 24. Dankzij andere detectietechnieken zijn daar nu 27 virustypen bij gekomen. Dat is nog afgezien van de vele varianten van dergelijke virussen.

Van al deze virussen komen het Deformed Wing Virus en het Black Queen Cell Virus over de hele wereld in bijen voor. De andere virussen, waaronder ook circa 10 al lang bekende virussen, worden niet overal aangetroffen.

Tot zover de vastgestelde, gemeten, feiten.

De konklusie is dat bijen vol met allerlei soorten virussen zitten. Dat zal bij andere insecten dus ook wel zo zijn. Of dergelijke virussen altijd al in bijen voorkwamen is niet met zekerheid te zeggen. Waarschijnlijk wel.

In dit artikel benadert men de zaak uitsluitend vanuit de virologie c.q. de virologische diagnostiek. Dat levert een nogal beperkt beeld op, zeker als men de introductie en de discussie leest.

Mijn stelling is dat virologen veel van virussen weten, maar daar heel weinig van begrijpen. Dat dergelijk onbegrip nogal kostbaar kan zijn weten we uit de casus van enkele jaren geleden dat er ‘op advies van een viroloog in Rotterdam’ voor 500 mln Euro aan vaccins ‘tegen de Mexicaanse griep’ is besteld.

Terug naar de bijen. Ik weet van een publicatie over virussen en bijen in ‘s werelds meest gerenommeerde wetenschappelijk tijdschrift, die wereldwijd heel veel aandacht heeft getrokken en uitvoerig in wetenschappelijke kring bediscussiëerd is, waarbij men in wezen door dit onbegrip 100% de mist in gegaan is. Dat is het gevolg van ‘iets niet weten’, verkeerde aannames in het verleden en het voortdurend herhalen hiervan door daarop voort te bouwen en elkaar eindeloos te citeren.

Een van die zaken is dat men virussen à priori als ziekteverwekker beschouwt. Een dergelijke aanname is een fatal error bij het begrip krijgen van wat er met de bijen (en andere insecten) aan de hand is, c.q. welk proces gaande is. Een andere zaak was dat men zich alleen bezig heeft gehouden met het doen van (virus)bepalingen, en niet met het uitvoeren van het experiment.

Overigens laat men het uitvoeren van het experiment in heel veel ‘wetenschappelijk werk’ achterwege. Dat vind ik een ernstige tekortkoming in de wijze waarop tegenwoordig ‘wetenschap’ wordt bedreven en hoe ‘het wetenschapsbedrijf’ functioneert.

Bij mijzelf is in de loop der tijd het beeld ontstaan dat al deze virussen samen met de rest van het microbiologisch systeem in wezen hulptroepen zijn, oftewel aanpassingen aan de omgeving, aan steeds veranderende omstandigheden. Dit leid ik bijvoorbeeld ook af uit het feit dat het virus-spectrum gedurende het jaar/seizoen bij bijen grote verschillen vertoont. Oftewel in het voorjaar zijn er heel andere virussen dan in de zomer en het najaar. Er is dus continu sprake van aanpassingen. Een ieder zal begrijpen dat een ‘bijenveredelingsprogramma’ zoals dat bijvoorbeeld bij WUR loopt, niets nuttigs gaat opleveren.