Hierbij wordt de in het voorjaar verzamelde honing gezien als een samenstelsel van stoffen, die het populatie-, voortplantings- en voedingsverloop gedurende de rest van het seizoen bepalen. Een aanwijzing hiervoor is dat het gunstig is om na het oogsten van de honing altijd een bepaalde hoeveelheid honing achter te laten. Volgens http://beeinformed.org/2014/06/feeding-honeybees-honey-may-increase-mortality/ leidt het voeren van honing als wintervoeding tot een verhoogde wintersterfte in vergelijking met voeren van suikersiroop.

Hoe lang deze sturing effectief kan zijn, is onbekend. Haalt men de honing weg, dan vervalt de normale sturing. Er is dan weer een nieuwe beginsituatie. Deze kan afwijken van de eerdere situatie omdat in het tweede gedeelte van het jaar andere soorten stuifmeel aangevoerd worden.

IJzergehalte in honing

Zoals in de sectie Info over ijzertoediening onder IJzergehalte in bijen en bijenvolken staat, komt het grootste deel van het door de bijen verzamelde ijzer in de honing terecht. De bijen hebben dus via de honing voortdurend de beschikking over een bron van ijzer. Hebben de bijen als wintervoeding voornamelijk geraffineerde suiker of glucose/fructose siroop tot hun beschikking, dan is deze bron niet meer aanwezig. Er zijn bovendien belangrijke aanwijzingen dat de component fructose in die omstandigheden een een belangrijk negatief effect heeft. Van diverse andere suikers zijn eveneens uitgesproken nadelen bekend.

Door extra ijzer toe te voegen zorgt men voor een verbetering van de minerale samenstelling van de wintervoedselvoorraad.