Een ijzertekort bij bijen kan ontstaan door verminderde aanvoer, verminderde opname, door ijzerontrekking of door een of meer andere factoren. Het ontstaan van een ijzertekort is altijd te herleiden tot bepaalde omstandigheden in de omgeving. Bij een verminderde aanvoer moet men niet alleen denken aan een andere samenstelling van het stuifmeel, maar ook aan een lager ijzergehalte in de nectar of in het water dat de bijen opnemen.

IJzeronttrekking kan bijvoorbeeld plaatsvinden door de varroamijt. Afgaande op gepubliceerde gegevens over de gewichtsafname van door varroa geparasiteerde bijen zou op deze manier 15-25% van het ijzer door de mijten extern onttrokken kunnen worden.

Invloed van andere mineralen

Een ijzertekort hoeft niet te ontstaan door een verminderde aanvoer of opname van het ijzer zelf. Een ijzertekort kan ook het gevolg zijn van een grotere aanvoer van andere mineralen. Deze andere mineralen nemen dan de plaats van ijzer in bepaalde enzymen in. Dit zijn fysisch-biochemische aanpassingen. Er zijn duidelijke aanwijzingen dat dit soort processen een rol speelt bij de insecticiden die onder vuur zijn komen te liggen. In de sectie Onderzoek wordt dit verder uitgelegd.

Belangrijk is om erop te wijzen dat een ijzertekort in bijen niet het gevolg hoeft te zijn van te weinig ijzer in het milieu. De geringe oplosbaarheid van ijzer kan in bepaalde omstandigheden een rol spelen, alsook de vorm waarin het ijzer voorkomt.