Onlangs rapporteerde zowel WUR als de NBV dat de wintersterfte in Nederland op circa 6 – 6,5% is uitgekomen. De verklaringen daarover lopen uiteen – een zachte winter, relatief weinig varroamijten, een goede ‘varroabestrijding’.

Ook een laag sterfteniveau bij de gunstige omstandigheden zoals in de afgelopen winterperiode geeft inzichten in oorzaken van wintersterfte. De lage wintersterfte is fundamenteel-wetenschappelijk goed te verklaren. Door de relatief hoge temperaturen is de bijendichtheid in de wintercluster niet zo hoog geweest. Daardoor is weinig tot geen sprake geweest van anaerobe toestanden. In ons artikel Anaerobe processen in bijenvolken leggen wij dat uit.

Wij hebben de moeite genomen om de WUR- en NBV-rapportages te analyseren. Behalve het maken van enkele kanttekeningen en aanvullende opmerkingen gaan wij ook in op het nut van dergelijke vormen van monitoring.

Twee rapportages

Er zijn twee rapportages over de wintersterfte 2015-2016, een van WUR op basis van de gegevens van 534 imkers en 5.919 bijenvolken, en een van de NBV op basis van 435 imkers en 3.738 volken. De gegevens van WUR zijn telefonisch verzameld aan de hand van een bepaalde selectie. De gegevens NBV zijn schriftelijk verkregen na een oproep om een online vragenlijst in te vullen.

Behandelingen tegen varroa

In de NBV-rapportage wordt het belang van behandelingen tegen varroa nogal benadrukt. Gerapporteerd wordt dat het 3-gangen menu de laagste wintersterfte heeft gegeven. Omdat de ‘varroadruk’ in het afgelopen jaar niet zo hoog was, lijkt de betekenis van een goede ‘varroabestrijding’ in de afgelopen winter beperkt te zijn geweest. Samen met het gegeven dat de bijenvolken – en de imkers – vooral te maken hebben gehad met gunstige temperatuuromstandigheden kan de lage wintersterfte zeker niet aan een goede varroabestrijding toegeschreven worden.

Eenzijdige aandacht voor varroa

Hoewel in de NBV-rapportage wordt erkend dat nog andere factoren een rol spelen, vinden wij dat de eenzijdige aandacht voor varroa en varroabestrijding overdreven. In zijn algemeenheid – niet alleen bij bijen – geldt dat het effect van maatregelen altijd van meer zaken afhankelijk is. Door alles te herleiden tot wel of geen varroaproblemen is de kans groot dat men de zaken waar het om draait over het hoofd ziet en mogelijke oplossingen terzijde schuift. Dat geldt niet alleen voor de wintersterfte, maar ook voor problemen in de rest van het jaar.

‘Framing’

Alleen sterfte in de periode 1 oktober tot 1 april benoemen betekent niet alleen het vergeten van de andere helft van het jaar, maar is ook samen met ‘varroa’ een vorm van ‘framing’, het verkeerde probleem (‘varroa is verantwoordelijk voor wintersterfte’) op de agenda houden. ‘Framing’ is een vorm van manipulatie, het doel van ‘framing’ is altijd het bereiken van een bepaald doel. Een dergelijke ‘framing’ kennen we ook rondom ‘bijensterfte’ en neonicotinoïden en van ‘bloemetjes zaaien is goed om bijensterfte te verminderen’. In tijden van informatie-overvloed en de behoefte aan eenvoudige mededelingen valt met ‘framing’ goed te scoren.

Risico’s van de eenzijdige aandacht voor varroa

Aan de eenzijdige aandacht voor varroa zijn grote risico’s verbonden. Omdat men alleen varroa als het probleem beschouwt, zoals door bijna alle bijenonderzoeksonderzoeksinstituten wordt verkondigd, is het onderzoek zich gaan richten op andere bestrijdingsmethoden om ‘het varroaprobleem’ aan te pakken, bijvoorbeeld de ‘varroagate’ en de methoden om via de broedloze periode stevig in te zetten op ‘varroabestrijding’. Het streven naar ‘varroaresistente bijen’ is onder gebaseerd op het kenmerk van het hygienisch gedrag.

Hobby-imker de schuldige?

Varroa staat nog steeds overal op de agenda, hoewel men op vele plaatsen, zowel bij bepaalde onderzoeksinstituten als bij vele imkers, na meer dan 30 jaar tot de konklusie gekomen dat het ‘varroaprobleem’ niet opgelost kan worden. Bij sommige onderzoekers bestaat nog wel het idee dat uitroeien van varroa mogelijk is, namelijk door in gecoördineerde acties per locatie een systematische bestrijding door te voeren. Dit voorstel is afgeleid uit een Duitse publicatie over de wijze waarop varroa zich verspreidt en de mate waarin dat gebeurt. In de nasleep van dit onderzoek zijn opnieuw weer opmerkingen genoteerd dat de hobby-imkers voor het voortduren van de ‘varroaproblemen’ verantwoordelijk zijn omdat zij de varroamijten niet te lijf willen gaan.

Dergelijke voorstellen houden totaal geen enkele rekening met het feit dat verreweg het grootste deel van de imkers een afkeer heeft van het gebruik van agressief op de bijen inwerkende behandelingen, zoals die al jaren worden aanbevolen.

Eenzijdige aandacht voor wintersterfte

Bij zowel het NBV-onderzoek als het WUR-onderzoek gaat de aandacht eenzijdig uit naar de wintersterfte, alsof wintersterfte het enige belangrijke is. Aan deze onderzoeken ligt geen enkele wetenschappelijke hypothese ten grondslag, ook niet bij het WUR-onderzoek naar de wintersterfte. Het zijn onderzoekjes naar het niveau van de wintersterfte, zoals er al vele zijn.

Natuurlijk kan een lage wintersterfte gunstig zijn, er moet een goede basis zijn voor een voorspoedige start in het nieuwe seizoen, zowel voor de bijenvolken als voor de imker. Het aantal overwinterde volken zegt helaas niet alles. Het hebben van sterke volken na de winter is namelijk veel belangrijker dan het hebben van uitsluitend zwakke volken. Een sterk volk kan vroeg in het seizoen al gesplitst worden, zwakke volken blijven in het algemeen lange tijd zwak. Een sterk volk heeft voor de bestuiving in het voorjaar een grotere betekenis dan een zwak volk.

Persbericht WUR

In het persbericht van WUR wordt gemeld dat medewerking van alle imkers essentiëel is `voor het succes van het onderzoek`, ´voor het bepalen van de wintersterfte onder bijenvolken´ alsook ‘voor het vaststellen van de factoren die voor wintersterfte verantwoordelijk zijn’.

Wie deze statements goed leest en tot zich laat doordringen zal tot de konklusie komen dat men daar nog steeds geen enkel inzicht heeft in het fenomeen wintersterfte. Dat komt, omdat men met standaard wetenschappelijke methoden werkt, die daarvoor niet geschikt zijn en weigert om de noodzakelijke experimenten uit te voeren. Het uitvoeren van experimenten zou er namelijk toe kunnen leiden dat de gangbare hypothese onjuist is.

Succes van onderzoek is iets anders dan nut voor de praktijk. Onderzoeksucces is natuurlijk niet afhankelijk van ‘medewerking van alle imkers’, maar van het stellen van de juiste vragen, gebruik van de juiste onderzoeksmethoden en een juiste interpretatie van de gegevens.

Wie het onderzoek bij WUR een beetje kent, op de hoogte is van wat er zoal in de wereld aan onderzoek plaatsvindt en de berichtgeving volgt, weet dat wat WUR naar buiten brengt voornamelijk bestaat uit zaken die niet van henzelf afkomstig zijn.

Oorzaak wintersterfte

De monitoring over ‘de wintersterfte’ geeft geen beeld van de oorzaak van de verliezen. Wintersterfte is een verzamelbegrip. De bijen kunnen verdwijnen of doodgaan of er worden onvoldoende nieuwe bijen gevormd. Uit onze analyse blijkt dat de bijen in het algemeen niet doodgaan, althans in beperkte mate en niet in de kast.

Wintersterfte heeft niet zozeer betrekking op sterfte van bijen, maar op het verloren gaan van bijenvolken. Dat lijkt voor sommigen misschien een open deur, maar dat is wel relevant voor het oplossen van bepaalde problemen. De suggestie in de WUR-rapportage, dat er wel eens een probleem met de koninginnen zou kunnen zijn, is rechtstreeks zonder bronvermelding uit ons recent uitgevoerde eigen onderzoek naar de inwintering overgenomen. Dit is een vorm van plagiaat en een inbreuk op ons intellectueel eigendomsrecht.

Weinig mijten

In de NBV-rapportage over de wintersterfte wordt in relatie tot ‘varroabehandelingen’ niets gezegd over de mijten. Het bijzondere van het afgelopen jaar was dat er helemaal niet zoveel varroamijten waren. Dat was ook in andere Europese landen het geval. Toch zijn er situaties gemeld dat veel volken verloren gingen. Het is zeer onwaarschijnlijk dat dit in die gevallen door varroa kwam. Ook met ‘varroabehandeling’ overleefden bijenvolken de winter niet. Uit de monitoring is niet duidelijk geworden waardoor dat kwam. Imkers, die hun volken behandelen, doen dat bijna altijd bij al hun volken. De vraag waarom op een bepaalde locatie sommige bijenvolken het wel redden en andere niet is niet gesteld en dus niet beantwoord.

Zoals wij hebben ontdekt en ook op onze website, onze nieuwbrieven en voor diverse imkerverenigingen hebben uitgelegd, zijn eventuele problemen met bijenvolken het gevolg van microbiële processen. Dat wil zeggen dat er sprake is van een overmatige bacteriegroei en/of groei van andere bacteriën.

‘Varroabehandelingen’ zijn in wezen behandelingen die de microbiologie in het bijensysteem veranderen. Hierover kunt u lezen in het artikel ……

Konklusie

Deze monitoring leverde niet meer op dan het gegeven dat de wintersterfte in 2015/2016 laag is uitgevallen.

De relatief lage ‘wintersterfte’ is voor het belangrijkste deel toe te schrijven aan de voortdurend tamelijk gunstige temperaturen. Het is derhalve moeilijk om de lage wintersterfte toe te schrijven aan de ‘varroabehandelingen’.

Kanttekeningen bij de NBV- en WUR-monitoring

Meetperiode: Normaal wordt voor het vaststellen van de wintersterfte de periode 1 oktober – 1 april genomen. Wat er in de maanden augustus en september met de bijenvolken gebeurt, en in de periode na 1 april, wordt dan niet meegenomen, bijvoorbeeld het samenvoegen van zwakke volken door de imker, het verdwijnen of het optreden van broedziekten.

Wil men een reëel beeld krijgen van de wintersterfte dan moet men ook de sterfte in de maanden augustus en september meenemen. Gaat men hiertoe over, dan zal het niveau van de wintersterfte in dergelijke rapportages aanzienlijk hoger uitkomen.

Gebruikte rassen: De gevoeligheid van het gebruikte ras voor wintersterfte is in het afgelopen seizoen niet relevant gebleken. Dit kan over meerdere jaren gezien wel relevant zijn. Om hierover uitspraken te kunnen doen is een ander type onderzoek met heel andere vragen nodig. Bij imkers bestaat zeer veel inzicht in deze materie. Uiteindelijk bepaalt de imker om een reeks van redenen voor een bepaald type bijen.

Onderzoeksmethode: De in de WUR- en NBV-rapportages genoemde cijfers over ‘de wintersterfte’ zeggen op zich niet zoveel.

Allereerst zou op zijn minst toegevoegd moeten worden de zinsnede ‘onder de onderzochte groep van 435 (534) imkers, dat is circa 5 - 6% van het totaal aantal imkers en het aantal bijenvolken in Nederland.’ Imkers zijn in het algemeen niet geneigd om verliezen toe te geven. Deze terughoudendheid is sterker geworden sinds door onderzoeksinstituten en imkerorganisaties wordt verkondigd dat de schuld van het verloren gaan van bijenvolken bij de imker ligt.

Terwijl in voorgaande enquetes nog een verschil in wintersterfte werd vastgesteld tussen ervaren imkers en imkers met weinig ervaring, is daarvan volgens de cijfers over 2015/2016 geen sprake. Dit is mogelijk puur een gevolg van de weersomstandigheden, oftewel het deskundigheidseffect is wat betreft het voorkomen van wintersterfte niet erg relevant.

Uit de rapportage van de NBV blijkt dat zelfs bij behandeling volgens het 3-gangen menu volken verloren gingen, en eveneens bij andere behandelingsregimes. De sterfteniveau’s lagen in deze gevallen volgens de rapportage in de orde van 40%. Dit geeft aan dat er situaties zijn dat behandeling en ‘deskundigheid’ in bepaalde situaties volstrekt onvoldoende zijn om bijenvolken in een goede conditie te houden.

Ten tweede wordt niets vermeld over de respondenten die in de voorgaande jaren deze enquete ook invulden, oftewel wat de wintersterfte bij deze groep van trouwe respondenten was. Pas als men dat doet kan eventueel een meerwaarde ontstaan uit een dergelijk onderzoek naar de wintersterfte.

Ten derde bestaat de kans dat onwelkome gegevens zijn weggelaten. Dit is een vaak bij overheidsorganisaties gehanteerde manier om het succes van het gevoerde beleid aan te tonen, bijvoorbeeld de varroabestrijdingsadviezen, het overheidsprogramma bijengezondheid en het zaaien van meer bloemetjes.

Wij hebben geen aanwijzingen kunnen vinden op grond waarvan de nu uitgevoerde onderzoeken naar de wintersterfte wel een bijdrage zullen kunnen leveren aan het vinden van de oorzaak van de wintersterfte.

Lage respons

Rondom deze enquetes naar de wintersterfte is iets bijzonders aan de hand. Met name gaat het om de vraag waarom deze zowel door WUR als door NBV worden uitgevoerd. Voorheen was er, zoals bekend, het COLOSS-onderzoek. Daaraan deden veel meer imkers (ca. 20%) in Nederland standaard mee. Het leverde in ieder geval ook regionale cijfers over de wintersterfte. Daar wil men vanaf, omdat dan zal kunnen blijken welke omgevingsfactoren een rol spelen.

Bovendien lijkt er in de bijenwereld, met name bij de bijenhoudersorganisaties, onvrede te zijn ontstaan, gelet op het van de grond komen van nog veel meer van dit soort onderzoeken. Mogelijk zien zij ook het risico, dat er allerlei extra regelgeving op de sector af komt uit de verzinsels van de onderzoeksinstituten, zoals bijvoorbeeld de verplichting om collectief ‘behandelingen tegen varroa’ uit te voeren en volken te vernietigen bij verdenking op amerikaans vuilbroed.

Wij zien het houden van deze enquete door de NBV als een poging om zelf meer inzicht te krijgen in de bijenhouderij in Nederland en de contacten met de imkerleden te versterken.

Wij zien het houden van deze enquete door WUR op zijn minst bedoeld om voor een aantal andere onderwerpen gegevens te verzamelen, die dan weer onderzocht kunnen worden en om nog meer subsidies aan te vragen.

Monitoring heeft gefaald

Een monitoring-programma wordt altijd opgezet om inzichten te verkrijgen uit de epidemiologie. Monitoring is een methode die wordt ingezet als inzichten ontbreken en andere methoden falen. Normaal gesproken moet een paar jaar daarvoor voldoende zijn.

COLOSS is een vergeefse poging geweest om de benodigde inzichten over de oorzaak van de wintersterfte en de bijensterfte in het algemeen.te verkrijgen. Duidelijke en bruikbare adviezen voor de imkers heeft het in ieder geval niet opgeleverd.

De monitoring door Bee Informed Partnership in de V.S., inhoudelijk en organisatorisch een van de betere monitoring-programma’s, is eveneens een niet succesvolle poging geweest om uit de management-methoden van imkers aanwijzingen te verkrijgen voor betere maatregelen. Het is tot nu toe niet gelukt om de uitkomsten naar de praktijk te vertalen.

Zowel COLOSS als BIP zijn in de loop der jaren met veel overheidssubsidies uitgegroeid tot autonome bolwerken. We hebben zowel in Europa (COLOSS) als in de Verenigde Staten (BIP) gezien, dat de monitoring een eigen leven is gaan leiden, met de daarbij horende expansie in personeel en subsidies.

Wij zijn van mening dat dergelijke onderzoeken naar de wintersterfte beperkt dienen te zijn tot de volgende vragen:

1. Het aantal volken per 1 augustus met opgave van het aantal zwakke volken

2. Het aantal volken per 1 mei met opgave van het aantal zwakke volken

© April 2016, Science in Water B.V. / Ferro-Bee®

Alle rechten op intellectueel eigendom en andere rechten zijn voorbehouden.