Onder mineralen worden hier verstaan de metalen die onderdeel zijn van enzymen, als onderdeel van de actieve groep of als co-factor.

De aanwezigheid, beschikbaarheden en verhoudingen van deze mineralen bepalen het verloop van allerlei biologische processen in een complex, waarbij ook nog vele andere stoffen en factoren een rol spelen. Onder sturing wordt hier de beperkende factor verstaan. Heft men deze beperking op, dat wordt daarna een andere factor beperkend. Bij ons onderzoek richt de aandacht zich met name op ijzer, mangaan, zink en koper.

Invloed van pH

Naarmate de pH hoger is neemt de beschikbaarheid van ijzer af, en nemen de beschikbaarheden van mangaan en zink ten opzichte van ijzer toe. Dit gebeurt in de bodem, alsook in de darm van de bij. Opvallend is dat royal jelly tamelijk zuur is (pH 3,5 – 4,5). Daarin is dus sprake van een milieu, dat gunstig is voor de oplosbaarheid, beschikbaarheid en aanvoer van alle mineralen.

Invloed van chelaten

De beschikbaarheid van metalen wordt beïnvloed door de aanwezigheid van chelaten. Chelaten fungeren als mineralenbuffer, hebben in het algemeen een remmend effect op bacteriën en veranderen de concurrentieverhoudingen tussen bacteriën onderling. Chelaten zijn stoffen, die een {metaal}2+ kunnen binden. Als chelaat zijn deze metalen wel oplosbaar en kunnen in deze vorm goed getransporteerd worden. De beschikbaarheid van metalen is dan minder afhankelijk van de pH. Voorbeelden van chelaten zijn EDTA, humuszuren, gluconzuur, thymol en andere essential oils. De mate van binding van metalen aan chelaten verschilt, afhankelijk van chelaat en metaal. Oftewel bepaalde chelaten binden bepaalde metalen erg goed, of aan een bepaald type chelaat bindt het ene metaal sterker dan een ander metaal. Door deze laatste eigenschap van chelaten worden de beschikbaarheden van de verschillende mineralen selectief beïnvloed.

Binding aan aminozuren en eiwitten

Aminozuren en eiwitten kunnen eveneens metalen binden en een rol spelen in het transport. In het bijzonder geldt dat voor de zogenaamde transporteiwitten, bijvoorbeeld ijzer- en mangaantransporters. Transporteiwitten kunnen er bijvoorbeeld voor zorgen dat mineralen in de cel komen, uit de cel verwijderd worden, of terecht komen waar dat de bedoeling is.