CCD (Colony Collapse Disorder) wordt aangeduid als ´een ziekte, waarvan de oorzaak onbekend is´. Er zijn talloze vergeefse pogingen gedaan om voor CCD verbanden te leggen tussen aanwezige ziekteverwekkers of omstandigheden en verschijnselen. In het wetenschappelijk onderzoek is men in feite niet verder gekomen dan het beschrijven van het fenomeen CCD. Er wordt van CCD gesproken, wanneer de volgende symptomen aanwezig zijn:

  • bijna geen bijen in de kast, ook geen dode bijen
  • bijen ´opeens´ verdwenen, bijen verdwijnen snel uit de kasten
  • er is veel broed aanwezig
  • er is een aantal jonge bijen + koningin aanwezig
  • er is voldoende voedsel

Aanvullende kenmerken

Bij het definiëren van CCD heeft men zich beperkt tot de symptomen. Minstens zo belangrijk is echter het tijdstip dat CCD optreedt, alsook waar CCD voorkomt.

CCD komt meestal later in het jaar voor (vanaf augustus), alsook in de winterperiode. CCD komt veel voor, zowel in bijna de gehele V.S. als in Europa. Afhankelijk van de locatie heeft 10 - 25% van de bijenhouders ermee te maken. Waar CCD in Europa wel en niet voorkomt is niet nauwkeurig gedocumenteerd. De rapportages van de monitoring verschaffen deze informatie niet.

Onduidelijk is in hoeverre de aanwezigheid van dode bijen in de buurt van de kasten ook onder het fenomeen CCD valt.

Verdere analyse van CCD

Allereerst is het belangrijk om vast te stellen dat het bij CCD gaat om een gedragsverandering van het bijenvolk.

Dat er weinig voedsterbijen zijn wijst erop dat deze in korte tijd vliegbijen zijn geworden.

De drang van de bijen om opeens uit de bijenkast te vertrekken is op basis van bepaalde literatuurgegevens te herleiden tot een verandering in de voedselsamenstelling.

Wanneer de bijen in de omgeving van de kasten aangetroffen worden, kan dit het gevolg zijn van verstoring van de vliegfunctie. Deze is te herleiden tot energiegebrek of onvermogen om ver te vliegen (inclusief vervormde vleugels door DWV - deformed wing virus).

 De normale verhouding tussen bijen en broed in een bijenvolk is in het algemeen 2 volwassen bijen op 1 cel met broed.

Wanneer de verhouding verandert naar 1 volwassen honingbij op 2 - 3 cellen met broed is sprake van CCD (dit is de meest recente definitie van CCD).

Gemeenschappelijke kenmerken met wintersterfte

Zowel bij wintersterfte als bij CCD is er iets aan de hand met de vliegbijen. Bij CCD zijn de voedsterbijen blijkbaar opeens vliegbijen geworden. Bij wintersterfte zijn er vanwege het ontbreken van broed alleen vliegbijen.

Zeer vaak wordt gemeld dat de bijenvolken in het najaar of in de winter zijn doodgegaan, terwijl er wel voldoende voedsel aanwezig is. Onduidelijk is of de bijenvolken de winter niet doorkomen vanwege ´honger´ of vanwege het niet kunnen handhaven van de temperatuur in de kast. Op zich kunnen bijen redelijk goed tegen lage temperaturen. Een lage temperatuur kan wijzen op onvoldoende energie voor de vliegspieren, omdat teveel energie nodig is voor het in stand houden van het immuunsysteem.

De vaak gemelde uithongering (koppen in de raten) kan het gevolg zijn van het feit dat de wintercluster zich niet verplaatst.

Bij verlaten kasten vindt vaak geen roverij plaats. Blijkbaar is het voedsel niet aantrekkelijk. Dit leidt tot het vermoeden dat er iets mis is met het voedsel. 1. Er ontbreekt iets in dit voedsel 2. Het is met een micro-organisme besmet geraakt (bijvoorbeeld gisten of schimmels) 3. Het voedsel heeft een voor bijen onaantrekkelijke geur.

Wij denken dat wintersterfte en CCD dezelfde oorzaak hebben. Het fenomeen CCD kan volledig verklaard worden uit een veranderde voedselsamenstelling, die leidt tot een veranderde microbiële samenstelling. Bij hoge temperaturen kan dat gemakkelijk in één dag het geval zijn. Bij lagere temperaturen is daarvoor 2 - 3 dagen nodig.